Blog

18. jan, 2012
 


HOorzaken

De website voor informatie over het gehoor

 
 

January 18, 2012

 
 
 

Start




 


Cochleair implantaat
(cochlear implant of CI)


Een cochleair implantaat (in het Engels: cochlear implant) is een klein elektronisch toestel dat doven en zeer ernstig slechthorenden in staat stelt geluiden weer waar te nemen. Een cochleair implantaat wordt, zoals de naam al suggereert, chirurgisch geïmplanteerd onder de huid. Door de aangedane delen van het oor te omzeilen (de defecte haarcellen in het slakkenhuis) en via stroompulsjes de hoorzenuwen te stimuleren zijn zeer ernstig slechthorenden weer in staat geluiden op te vangen.

Hoe werkt een cochleair implantaat?

Allereerst wordt het geluid opgevangen door een apparaat dat lijkt op een achter-het-oor hoortoestel. In onderstaande afbeeldingen staan twee voorbeelden afgebeeld.


ESPrit 3G spraakprocessor van Cochlear ......................................


De Auria van Advanced Bionics

Dit deel wordt achter het oor gedragen. In dit apparaat wordt spraak en andere geluiden door middel van een microfoon opgevangen en op een zo optimale mogelijke manier bewerkt en omgezet in een elektrisch signaal. Vanuit het achter het oor gedragen apparaat loopt een draadje met aan het eind een zendspoel.
Deze spoel bevindt zich op het hoofd en zit met een magneet vast aan de ontvanger die vlak onder de huid is geimplanteerd. De ontvanger ontvangt vervolgens de door de zendspoel uitgezonden FM-signalen (radio golven).

 

Met dank voor het gebruik van de figuur aan Advanced Bionics

 

Slakkenhuis met in het scala tympani ingebrachte elektrode

Het cochleaire implantaat werkt vervolgens als ontvanger. Aan deze ontvanger zitten elektroden verbonden die door de KNO-arts in het slakkenhuis (ook wel cochlea genaamd) worden aangebracht. De elektroden geven elektrische signalen (stroompulsjes) af in de vloeistof van de cochlea die door de nabijgelegen zenuwen worden opgevangen. De zenuwen geven op hun beurt het signaal door via de gehoorzenuw aan de hersenen.
Afhankelijk van het merk en type implantaat worden er maximaal 22 elektroden in de cochlea geplaatst. Het mag duidelijk zijn dat het geluid dat de hersenen bereikt nooit dat van een goedhorende kan evenaren. Deze ontvangt immers het signaal van een zeer groot aantal gezonde haarcellen (ongeveer 30.000). Toch zijn met een cochleair implantaat geweldige resultaten te behalen wat een bewijs is voor de flexibiliteit en het enorme leervermogen van onze hersenen.Voor wie is een cochleair implantaat bedoeld? Om in aanmerking te komen voor een cochleair implantaat dienen allereerst beide oren doof of zeer ernstig slechthorend te zijn. Verder geldt voor volwassenen en oudere kinderen dat zij in de eerste levensjaren een normale spraaktaalontwikkeling hebben doorgemaakt en pas daarna aan beide oren een zeer ernstig gehoorverlies hebben gekregen of doof zijn geraakt. Ook jonge kinderen die doof of zeer ernstig slechthorend zijn geboren komen in aanmerking. Bij deze groep is het van belang dat de implantatie zo snel als mogelijk plaatsvindt. Dit houdt in de praktijk in dat dit het implantaat tussen het tweede en vierde levensjaar wordt geplaatst.
Slechthorenden met een matig gehoorverlies komen niet in aanmerking voor een cochleair implantaat, omdat zij met een regulier hoortoestel voldoende kunnen worden geholpen.

Hieronder staat een filmpje over de werking van een cochleair implantaat dat mede mogelijk is gemaakt door de firma Cochlear.


Wat is een cochleair implantaat? - Explania

Het proces naar een cochleair implantaat

Voor de operatie

De patiënt die in aanmerking wil komen voor een cochleair implantaat komt in Nederland terecht bij een van de 8 implantatiecentra (zie onder). Allereerst wordt de patiënt uitgebreid geïnformeerd over cochleaire implantaten en wordt gekeken wat met eventuele hoortoestellen tot nu toe bereikt is. Er volgen op het audiologisch centrum uitgebreide audiologische tests zoals een bera onderzoek en gesprekken met een psycholoog, maatschappelijk werker, logopedist en KNO-arts. Vaak worden er speciale scans uitgevoerd zoals een CT scan of MRI scan. Met de CT (computerized tomography) scan wordt gekeken of de cochlea (het slakkenhuis) een normale vorm heeft, en met de MRI (magnetic resonance imaging) scan wordt gekeken naar het zachte weefsel zoals delen van het midden- en binnenoor.
Het gesprek met de psycholoog is ervoor om te bepalen of de patiënt voldoende gemotiveerd is om het rehabilitatie traject in te gaan.

Tijdens de operatie

Voor de operatie, die zo'n 2 a 3 uur duurt, wordt wat haar achter het oor weggeschoren en wordt de patiënt klaargemaakt voor de operatie. Hiertoe kunnen behoren het aanbrengen vanapparatuur om de patiënt zijn hart en ademhaling in de gaten te houden, het aanbrengen van een masker voor zuurstof en het toedienen van de medicatie waardoor de patiënt verdoofd raakt en het gevoel heeft dat hij/zij in een diepe slaap is.
Het gebied achter het oor wordt schoongemaakt en de chirurg maakt een sneetje in de huid en maakt zo het mastoid bot vrij. In dit bot waarachter het binnenoor huist maakt de chirurg een gaatje van minder dan 2 mm groot. Via dit kleine gaatje krijgt de chirurg toegang tot het middenoor en het binnenoor waar het slakkenhuis zich bevindt. Door dit gaatje kan de chirurg de elektroden in het slakkenhuis plaatsen.
De chirurg maakt verder een groeve in het schedelbot achter het oor waarin het implantaat wordt geplaatst. Vervolgens wordt de huid weer teruggeplaatst over het implantaat heen en wordt er een hoofdverband aangebracht.
Vaak wordt tijdens en soms ook na de operatie een antibioticum gegeven om infecties tegen te gaan.

Na de operatie

Wanneer de patiënt na de ingreep ontwaakt zal deze zich enige tijd in een speciale "uitslaap" kamer bevinden totdat de narcose is uitgewerkt. Soms kan de patient wat duizelig of verward zijn, een raar gevoel in zijn maag hebben of last van een zere keel hebben. Een dag na de operatie wordt meestal reeds het hoofdverband verwijderd en de hechtingen een week erna.
De meeste patiënten voelen zich na de operatie vaak goed genoeg om dagelijkse bezigheden uit te voeren. Het gebied waarin geopereerd is heeft zo'n 3 tot 5 weken nodig om goed te helen en om alle zwellingen terug te brengen.
Ongeveer 3 tot 6 weken na de operatie wordt het implantaat aangezet. Het mag duidelijk zijn dat dit een heel bijzonder moment voor de patiënt is

De eerste aanpassing en training

Nadat het genezingsproces voltooid is zal de audioloog de eerste aanpassing van het implantaat doen en het achter-het-oor gedeelte met de geluidsprocessor programmeren overeenkomstig de individuele eisen van de patiënt. Er wordt nagegaan welke geluiden de patiënt hoort en de patiënt leert tevens om te gaan met zijn nieuwe apparatuur. Als het even kan wordt ook een gezins-, familielid, vriend of goede kennis bij de uitleg over de werking van de achter-het-oor geluidsprocessor betrokken.
Na de eerste afstelling volgen een groot aantal trainingsessies. Immers het opnieuw of juist voor het eerst leren spreken, horen en verstaan kan een intensief proces zijn. De hersenen moeten leren omgaan met de nieuwe informatie en leren onderscheid maken tussen geluiden die variëren in intensiteit en frequentie.

(Re-)Habilitatie

De volwassen patiënt zijn rehabilitatieprogramma zal onder meer bestaan uit het opdoen van luisterervaringen en het ontwikkelen van luistervaardigheden. Leden van het CI-team zullen de patiënt handvatten aanreiken om de gewenning aan het CI-systeem te bevorderen. Zo kan hardop lezen, het luisteren naar boeken op CD terwijl de patiënt tegelijkertijd meeleest en het luisteren naar de radio en tv, onderdeel uitmaken van het rehabilitatieproces.
Wanneer de patiënt langere tijd niet gehoord heeft, wordt door het CI-team een speciaal auditief ontwikkelingsprogramma gemaakt. In dit programma zal de patiënt aangemoedigd worden spraak en omgevingsgeluiden te leren herkennen, geluiden meer en meer voor communicatie te gebruiken en zal de patiënt en zijn omgeving technieken aangeleerd krijgen die de communicatie vergemakkelijken.
Bij kinderen worden de ouders en onderwijzers betrokken in het proces om het kind meer en meer het implantaat te laten gebruiken voor communicatie en zo langzamerhand de visuele communicatie te verminderen. De hoortoestel fabrikant Oticon heeft voor kinderen een speciale CD-ROM waarmee zij geluiden op een speelse manier kunnen leren. Als u belangstelling heeft voor deze CD ROM dan kunt u deze tegen betaling bestellen (020 545 57 80).

CI centra in Nederland

In Nederland zijn 8 CI-centra. Allen zijn zij verbonden aan een academisch ziekenhuis:

1Universitair Medisch Centrum Utrecht,
2 Universitair Medisch Centrum St.Radboud /
St. Michelsgestel (www.cochleaireimplant.nl)
3 Academisch Ziekenhuis Groningen,
4 Leids Universitair Medisch Centrum,
5 Academisch Ziekenhuis Maastricht,
6 Erasmus Medisch Centrum
7 Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
(www.ci-amsterdam.com)
8 VU Medisch Centrum Amsterdam
(www.ci-amsterdam.com)




 
 
 
   
     

Copyright HOorzaken 2000-2011. Alle rechten voorbehouden

   
           

http://www.oorzaken.nl/cochlear_implants.htm

http://www.oorzaken.nl/cochlear_implants.htm

 

17. jan, 2012

Cochleair implantaat

Wat is een CI ?

Cochleair implantaat (CI)

Een cochleair implantaat (in het Engels: cochleair implant) is een klein elektronisch toestel dat doven en zeer ernstig slechthorenden in staat stelt geluiden weer waar te nemen. Een cochleair implantaat wordt, zoals de naam al suggereert, chirurgisch geïmplanteerd onder de huid. Door de aangedane delen van het oor te omzeilen (de defecte haarcellen in het slakkenhuis) en via stroompulsjes de hoorzenuwen te stimuleren zijn zeer ernstig slechthorenden weer in staat geluiden op te vangen.

 Hoe werkt een cochleair implantaat?    

 

1. Spraakprocessor: de uitwendige spraakprocessor vangt het geluid op en zet het om in digitale signalen.

2. Digitale signalen: de processor zendt de digitale signalen door de naar het inwendige implantaat.

3. Elektrodenbundel: het inwendige implantaat zet de gecodeerde signalen om in elektrische energie en stuurt deze naar de elektrodenbundel in het slakkenhuis.

4. Gehoorzenuw: elektroden omzeilen de beschadigde haarcellen om de gehoorzenuw direkt te stimuleren.

Hoe werkt het natuurlijke gehoor?

 



1. Gehoorgang: het geluid gaat door de gehoorgang en raakt het trommelvlies.

2. Trommelvlies en oorbeentjes: door de geluidsgolven gaat het trommelvlies trillen en komen de oorbeentjes in het middenoor in beweging.

3.
Slakkenhuis: Hierdoor wordt de vloeistof in de cochlea in beweging gebracht, die dan op haar beurt de haarcellen doet bewegen.

4. Gehoorzenuw: de haarcellen zetten deze beweging om in elektrische impulsen, die naar de gehoorzenuw in de hersenen worden gezonden: u hoort geluid.

Hoe werkt een Spraakprocessor het uitwendige apparaat van de CI?

Allereerst wordt het geluid opgevangen door een apparaat dat lijkt op een achter-het-oor hoortoestel. Dat heet een Spraakprocessor!
In onderstaande afbeeldingen staan drie voorbeelden afgebeeld op volgorde; ESPrit 3G spraakprocessor van Cochlear, De Freedom spraakprocessor van Cochlear, en de Auria spraakprocessor van Advanced Bionics.

    

Dit deel wordt achter het oor gedragen. In dit apparaat wordt spraak en andere geluiden door middel van een microfoon opgevangen en op een zo optimale mogelijke manier bewerkt en omgezet in een elektrisch signaal. Vanuit het achter het oor gedragen apparaat loopt een draadje met aan het eind een zendspoel.
Deze spoel bevindt zich op het hoofd en zit met een magneet vast aan de ontvanger die vlak onder de huid is geimplanteerd. De ontvanger ontvangt vervolgens de door de zendspoel uitgezonden FM-signalen (radiogolven).

Voor wie is een cochleair implantaat bedoeld?

Om in aanmerking te komen voor een cochleair implantaat dienen allereerst beide oren doof of zeer ernstig slechthorend te zijn. Verder geldt voor volwassenen en oudere kinderen dat zij in de eerste levensjaren een normale spraaktaalontwikkeling hebben doorgemaakt en pas daarna aan beide oren een zeer ernstig gehoorverlies hebben gekregen of doof zijn geraakt. Ook jonge kinderen die doof of zeer ernstig slechthorend zijn geboren komen in aanmerking. Bij deze groep is het van belang dat de implantatie zo snel als mogelijk plaatsvindt. Dit houdt in de praktijk in dat dit het implantaat tussen het tweede en vierde levensjaar wordt geplaatst.
Slechthorenden met een matig gehoorverlies komen niet in aanmerking voor een cochleair implantaat, omdat zij met een regulier hoortoestel voldoende kunnen worden geholpen.

Het proces naar een cochleair implantaat

Voor de operatie

De patiënt die in aanmerking wil komen voor een cochleair implantaat komt in Nederland terecht bij een van de 8 implantatiecentra (zie bij CI centra). Allereerst wordt de patiënt uitgebreid geïnformeerd over cochleaire implantaten en wordt gekeken wat met eventuele hoortoestellen tot nu toe bereikt is. Er volgen op het audiologisch centrum uitgebreide audiologische tests zoals een bera onderzoek en gesprekken met een psycholoog, maatschappelijk werker, logopedist en KNO-arts. Vaak worden er speciale scans uitgevoerd zoals een CT scan of MRI scan. Met de CT (computerized tomography) scan wordt gekeken of de cochlea (het slakkenhuis) een normale vorm heeft, en met de MRI (magnetic resonance imaging) scan wordt gekeken naar het zachte weefsel zoals delen van het midden- en binnenoor.
Het gesprek met de psycholoog is ervoor om te bepalen of de patiënt voldoende gemotiveerd is om het rehabilitatie traject in te gaan.

De operatie

Het doel van de chirurgische procedure is het implanteren van de inwendige onderdelen van het systeem, meer specifiek de elektrode en de implantaatelektronica. De hermetisch verzegelde elektronica wordt onderhuids in het slaapbeen achter het oor geplaatst en de elektrode wordt in het slakkenhuis gebracht.

Wat gebeurt er tijdens de operatie?

Meestal wordt net voor de ingreep een klein stuk van de hoofdhuid achter en boven het te implanteren oor geschoren,om de kans op infectie zo klein mogelijk te houden. Het haar groeit na de operatie op natuurlijke manier terug. Tijdens de operatie wordt het inwendige deel van de CI (o.a. ontvangstspoel, magneet en elektroden) in de schedel aangebracht. Hiervoor wordt de huid achter het oor opgelicht en een opening in het bot geboord die de chirurg via het middenoor toegang moet geven tot de cochlea. In de wand van de cochlea brengt de chirurg vervolgens een klein gaatje aan (diameter ca 1,5 mm), waardoor de elektrodebundel voorzichtig naar binnen kan worden geschoven.
Tenslotte wordt het ontvangstgedeelte van de CI geplaatst in een tijden de
operatie uitgefreesde verdieping in het schedelbot achter het oor, zodat het na het dichthechten van de huid niet meer kan verschuiven. Overigens zal in de loop van de maanden na operatie rondom dit deel van het implantaat bindweefsel ontstaan, dat definitief verhindert dat één en ander kan wegglijden of verschuiven. De operatie vindt plaats onder algehele verdoving en duurt twee tot vijf uur. De risico’s zijn dezelfde als van andere ingrepen die onder volledige verdoving gebeuren.
Normaal gezien kunt u na één dag al uit bed en mag u rondwandelen. Enkele dagen later mag u het ziekenhuis verlaten. De hechtingen worden ongeveer één week na de ingreep verwijderd.

Welk oor wordt geopereerd?

Er wordt altijd maar één van beide oren geïmplanteerd. Welke van beide oren wordt geopereerd hangt van een groot aantal factoren af, zoals bijvoorbeeld de duur van doofheid of de functie van het evenwichtsorgaan per oor. De factoren die de uiteindelijke keuze van het te opereren oor bepalen zullen per persoon verschillen.

Intra-operatieve onderzoeken

In de loop van de operatie zullen enkele onderzoeken worden afgenomen met als doel te kijken of het implantaat goed functioneert. Daarnaast zijn enkele onderzoeken bedoeld om een eerste grove indruk te krijgen van de mate waarin het auditief systeem via het implantaat elektrisch kan worden gestimuleerd.

Na de operatie

Wanneer de patiënt na de ingreep ontwaakt zal deze zich enige tijd in een speciale "uitslaap" kamer bevinden totdat de narcose is uitgewerkt. Soms kan de patient wat duizelig of verward zijn, een raar gevoel in zijn maag hebben of last van een zere keel hebben. Een dag na de operatie wordt meestal reeds het hoofdverband verwijderd en de hechtingen een week erna.
De meeste patiënten voelen zich na de operatie vaak goed genoeg om dagelijkse bezigheden uit te voeren. Het gebied waarin geopereerd is heeft zo'n 3 tot 5 weken nodig om goed te helen en om alle zwellingen terug te brengen.
Ongeveer 3 tot 6 weken na de operatie wordt het implantaat aangezet. Het mag duidelijk zijn dat dit een heel bijzonder moment voor de patiënt is.

Proefaansluiting

Bij het verwijderen van het verband en de hechtingen - ongeveer 1 week na de operatie – wordt de CI kort aangesloten. Met deze proefaansluiting willen we u allereerst laten ervaren dat het implantaat werkt. Bovendien krijgt u dan vast een eerste indruk hoe geluid via de CI gaat klinken, zodat u zich met reële verwachtingen kunt instellen op de revalidatieperiode.

Follow-up

Na operatie volgt een herstelperiode van 4 - 6 weken waarin de wond de kans krijgt te genezen. In deze periode zult u regelmatig terugkomen voor controle bij één van onze KNO-artsen (poliklinisch), zodat deze kan beoordelen of het genezingsproces naar wens verloopt. Het spreekt voor zich dat u in deze periode enige voorzichtigheid moet betrachten, omdat het bindweefsel nog niet om de processor en de elektrode zit en de wond de tijd moet krijgen voor een goede genezing. Activiteiten waarbij een kans op klappen tegen de schedel bestaat (skateboarden, inclineer skating, koppen bij voetbal, etc) moeten worden vermeden. Ook in en om het huis uitkijken, dat je je hoofd niet stoot waar de CI gelegen is.
Voor de meeste patiënten zal dit betekenen dat alle dagelijkse bezigheden gewoon kunnen worden hervat. Pas na deze periode van 6 weken volgt de aanpassing van het externe gedeelte van de CI, waaronder de spraakprocessor. Pas dan zult u met de CI geluiden gaan waarnemen en zal de revalidatie van start gaan.  

De eerste aanpassing en training

Nadat het genezingsproces voltooid is zal de audioloog de eerste aanpassing van het implantaat doen en het achter-het-oor gedeelte met de geluidsprocessor programmeren overeenkomstig de individuele eisen van de patiënt. Er wordt nagegaan welke geluiden de patiënt hoort en de patiënt leert tevens om te gaan met zijn nieuwe apparatuur. Als het even kan wordt ook een gezins-, familielid, vriend of goede kennis bij de uitleg over de werking van de achter-het-oor geluidsprocessor betrokken.
Na de eerste afstelling volgen een groot aantal trainingsessies. Immers het opnieuw of juist voor het eerst leren spreken, horen en verstaan kan een intensief proces zijn. De hersenen moeten leren omgaan met de nieuwe informatie en leren onderscheid maken tussen geluiden die variëren in intensiteit en frequentie.

(Re-)Habilitatie

De volwassen patiënt zijn rehabilitatieprogramma zal onder meer bestaan uit het opdoen van luisterervaringen en het ontwikkelen van luistervaardigheden. Leden van het CI-team zullen de patiënt handvatten aanreiken om de gewenning aan het CI-systeem te bevorderen. Zo kan hardop lezen, het luisteren naar boeken op CD terwijl de patiënt tegelijkertijd meeleest en het luisteren naar de radio en tv, onderdeel uitmaken van het rehabilitatieproces.
Wanneer de patiënt langere tijd niet gehoord heeft, wordt door het CI-team een speciaal auditief ontwikkelingsprogramma gemaakt. In dit programma zal de patiënt aangemoedigd worden spraak en omgevingsgeluiden te leren herkennen, geluiden meer en meer voor communicatie te gebruiken en zal de patiënt en zijn omgeving technieken aangeleerd krijgen die de communicatie vergemakkelijken.
Bij kinderen worden de ouders en onderwijzers betrokken in het proces om het kind meer en meer het implantaat te laten gebruiken voor communicatie en zo langzamerhand de visuele communicatie te verminderen. De hoortoestel fabrikant Oticon heeft voor kinderen een speciale CD-ROM waarmee zij geluiden op een speelse manier kunnen leren. Als u belangstelling heeft voor deze CD ROM dan kunt u deze tegen betaling bestellen (020 545 57 80).

Hoe ver is de ontwikkeling van de CI?

De eerste cochleaire implantaten werden in 1977 geplaatst in Los Angeles in de VS. Sindsdien produceren meerdere fabrikanten deze apparatuur en in vele klinieken zijn deze implantaten geplaatst. Inmiddels zijn er meer dan 40.000 CI's aangebracht over de hele wereld.

Aanvankelijk was men zeer terughoudend met het plaatsen van een CI omdat het resultaat van het horen onzeker was en men ook niet wist hoe de implantaten zich op de lange duur zouden houden. In het begin (jaren 80) vonden de geïmplanteerden de resultaten weliswaar zeer bevredigend (men hoorde weer wat), maar het spraakverstaan was nog matig. Door een goede samenwerking tussen fabrikanten van de apparatuur, wetenschappers die ideeën hadden hoe de signalen beter verwerkt konden worden en klinieken die zorgvuldig bestudeerden wat er bij hun patiënten aan de hand was en welke resultaten behaald werden, konden snel verbeteringen gerealiseerd worden.

De ontwikkelingen zullen zeker nog enige tijd doorgaan, ook wat betreft het kleiner worden van de kastjes voor signaalbewerking. Verder zal de kwaliteit door het gebruik van digitale technieken waarschijnlijk verder verbeteren. Om dit mogelijk te maken zal bij iemand die een implantaat heeft gekregen, vaak nader onderzoek worden uitgevoerd.

 

 De geluiden klinken heel anders

Met een implantaat in de cochlea (het slakkenhuis) kunnen doven weer geluiden waarnemen. Maar deze geluiden klinken heel anders dan wij gewend zijn. Het gevolg is dat, als het implantaat wordt aangezet, vaak niet meteen spraak kan worden verstaan. Met veel oefening moet eerst betekenis van geluiden opnieuw geleerd worden. Zo wordt geleerd spraakklanken en woorden te onderscheiden om uiteindelijk weer te verstaan. Dit proces verloopt niet voor iedereen even snel. Sommigen bereiken in dagen hetzelfde waar anderen in maanden voor nodig hebben. Dit is moeilijk vooraf in te schatten, maar over het algemeen helpt het als de herinnering aan spraak nog recent is en de doofheid van relatief korte duur.

Wat hoor je met een CI

Op deze Engelstalige website van de Universiteit van Texas en Dallas, is het voor een goedhorende mogelijk te horen wat iemand met/via een Cochleaire Implant hoort.
Beslist de moeite waard om een idee van het horen met CI te krijgen! Klik op "Listening Demos"
Op deze website zijn ook demo's te beluisteren.


 

13. jan, 2012

dit  is hem  dan

23. dec, 2011

Cochleair implantaat

Deze pagina heeft tot doel u informatie te geven over een cochleair implantaat (CI) en is niet bedoeld als vervanging van een bezoek aan uw KNO- of huisarts, maar ter ondersteuning hiervan.

 

Inleiding

Cochleaire implantatie is een operatie die bedoeld is voor dove en ernstig slechthorende volwassenen of kinderen.

Doofheid en ernstige slechthorendheid zijn een beperking in het waarnemen van geluid en bemoeilijken de communicatie via gesproken taal. Bij jonge kinderen zijn de gevolgen van doofheid en ernstige slechthorendheid ingrijpend. Voor het ontwikkelen van gesproken taal is gehoor immers onmisbaar. Bij mensen die vanaf zeer jonge leeftijd doof zijn, speelt communicatie via gebarentaal dan ook een belangrijke rol. Mensen die na hun kindertijd doof zijn geworden hebben de gesproken taal al wel geleerd, zodat zij vaak communiceren via spreken en spraakafzien met eventueel ondersteunende visuele communicatie of ondersteunende hoortoestellen.

Als kinderen of volwassenen ondanks de hulp van hoortoestellen en hoortraining nauwelijks in staat zijn tot het waarnemen van gesproken taal, kan een cochleair implantaat uitkomst bieden.

Wat is een cochleair implantaat?

Een cochleair implantaat is een apparaat dat aan dove kinderen en volwassenen de mogelijkheid biedt weer iets te horen. Dit gebeurt doordat het CI de functie van de zintuigcellen in een beschadigd binnenoor overneemt en de intact gebleven gehoorzenuw direct elektrisch stimuleert.

Een cochleair implantaat bestaat uit een uitwendig en een inwendig (geïmplanteerd) gedeelte (zie afbeelding). Tijdens een operatie wordt het inwendig gedeelte geplaatst, het uitwendig gedeelte wordt enkele weken na de operatie aangesloten. De microfoon van het uitwendige gedeelte vangt de geluiden op en zendt de informatie naar een spraakprocessor, die het geluidssignaal omzet in elektrische pulsen. Deze pulsen worden via een snoertje overgebracht naar een zendspoel. Deze zendspoel maakt met behulp van een magneet contact met een ontvanger onder de huid op de schedel.

 

De ontvanger geeft het elektrisch signaal vervolgens door aan de elektrode, die tijdens een operatie is ingebracht in het binnenoor (het slakkenhuis of de cochlea). De elektrode geeft elektrische pulsen af, die opgevangen worden door de nabijgelegen zenuwuiteinden van de gehoorzenuw. De gehoorzenuw geeft op zijn beurt het signaal door naar de hersenen. Voorwaarde voor het succesvol toepassen van een CI is dus dat de gehoorzenuw en de daarachter liggende zenuwbanen goed functioneren.

Met een CI kunnen zowel zachte als harde geluiden en spraak worden waargenomen. De kwaliteit van de geluids- en spraakwaarneming is echter anders dan bij goedhorenden. Dat is logisch, omdat goedhorende mensen over ongeveer 3.000 zintuigcellen beschikken om geluids­signalen door te geven aan ca. 30.000 zenuwuiteinden.

Bij een CI wordt het geluid eerst omgezet in een elektrisch signaal en wordt de functie van de 3.000 zintuigcellen overgenomen door maar een beperkt aantal elek­troden (maximaal 22). Desondanks kan belangrijke informatie toch worden overgedragen aan de gehoorzenuw, zodat het verstaan van spraak vaak mogelijk is. CI-gebruikers worden daardoor minder afhankelijk van spraakafzien. Voor een aanzienlijk aantal CI-gebruikers is het zelfs mogelijk om met het CI te telefoneren.

CI-teams

Een CI-team bepaalt wie er in aanmerking komt voor een CI en begeleidt de geïmplanteerden ook na de operatie. Een CI-team bestaat uit KNO-artsen, audiologen, logopedisten/hoortherapeuten, linguïsten, orthopedagogen/psychologen, maatschappelijk werkers, technici, wetenschappelijke en administratieve medewerkers.

CI-teams werken vaak samen met audiologische centra. Deze laatst genoemde instanties zijn actief in de zorg voor doven en slechthorenden (kinderen en volwassenen) en voor kinderen met spraak- en taalproblemen. Nadat is vastgesteld dat een kind doof is, wordt een gezin voor begeleiding aangemeld bij een gezinsbegeleidingsdienst. De zorg voor kinderen met een CI wordt door het CI-team dan ook vormgegeven in nauwe samenwerking met de gezinsbegeleidingsdienst waarvan het gezin reeds begeleiding ontvangt.

Wie komt er in aanmerking voor een CI?

Zoals reeds beschreven neemt een CI, anders dan een conventioneel hoortoestel, de functie van defecte zintuigcellen in het binnenoor over. Door de implantatie gaat de functie van de nog werkende zintuigcellen verloren. Daarom wordt cochleaire implantatie pas overwogen als blijkt dat een kind of volwassene te weinig baat heeft bij het gebruik van conventionele hoortoestellen. Hieronder volgt een aantal 'richtlijnen' die inzicht geven in wie in aanmerking komt voor een CI en wanneer het zinvol is iemand aan te melden bij een CI-team.

Volwassenen

Wie?

Volwassenen met doofheid of zeer ernstige slechthorendheid aan beide oren, waarbij er met de meest krachtige hoortoestellen slechts zeer weinig kan worden verstaan.
Volwassenen moeten minimaal tot hun vijfde levensjaar nog (iets) gehoord hebben. Daardoor hebben ze de kans gehad om spontaan een gesproken taal te leren begrijpen en spreken. Als een dove volwassene reeds voor de leeftijd van vijf jaar doof is geworden of doof is geboren, heeft cochleaire implantatie vaak een teleurstellend resultaat.

Wanneer?

De timing voor implantatie is afhankelijk van audiologische, medische, sociale en psychologische factoren. Een kandidaat moet ervaring hebben met hoortoestellen die voor hem/haar het meest geschikt zijn. Daarnaast moet een kandidaat gemotiveerd zijn voor de operatie en intensieve revalidatie. Medisch is het noodzakelijk dat iemand in voldoende fysieke conditie verkeert om de operatie en de revalidatieperiode te doorlopen. Tot slot is het belangrijk dat iemand reële verwachtingen heeft ten aanzien van de mogelijkheden van cochleaire implantatie.

Spoed!

Volwassenen die recent doof zijn geworden na een hersenvliesontsteking komen met voorrang in aanmerking. De kans bestaat dat binnen een aantal weken tot maanden na de hersenvliesontsteking verbening van het slakkenhuis optreedt hetgeen implantatie kan bemoeilijken (zie verder).

Kinderen

Wie?

  • Zeer jonge kinderen die doof of zeer ernstig slechthorend zijn geboren, zodat horen en leren spreken spontaan niet mogelijk is. Na het vaststellen van het gehoorverlies zullen hoortoestellen worden geprobeerd, om te beoordelen hoeveel baat een kind hierbij heeft. Hierdoor kan bepaald worden of de verwachting is dat cochleaire implantatie voor een kind een meerwaarde zou kunnen hebben ten opzichte van conventionele hoortoestellen.
  • Kinderen die progressief slechthorend zijn en na enige tijd ernstig slechthorend of doof geworden zijn.
  • Kinderen die goedhorend zijn geboren en doof worden door bijvoorbeeld een hersenvliesontsteking.

Wanneer?

Voor doof geboren kinderen gaat de voorkeur uit naar implantatie op zo jong mogelijke leeftijd, maar in het algemeen niet voor de eerste verjaardag. Bij doof geboren jonge kinderen is implantatie in ieder geval voor het vijfde levensjaar gewenst. Betere resultaten zijn te verwachten naarmate het kind jonger is bij implantatie.

Spoed!

Voor jonge kinderen die recent doof zijn geworden na een hersenvliesontsteking geldt dat zij met voorrang in aanmerking komen voor CI. Zonodig worden ze reeds vóór de leeftijd van één jaar geopereerd.

Procedure

Aanmelding

Als er bij u of bij uw kind ernstige slechthorendheid of doofheid is vastgesteld of als er een sterk vermoeden bestaat dat daar sprake van zou zijn, kunt u uzelf of uw kind aanmelden bij één van de CI-teams in Nederland. De CI-teams zijn gevestigd in alle universitaire medische centra. Het audiologisch centrum of de gezinsbegeleidingsdienst kan u helpen bij uw aanmelding.I

ndien er sprake is van doofheid of ernstige slechthorendheid die ontstaan is na een recente hersenvliesontsteking, is spoed geboden bij de aanmelding bij een CI-team.

Selectieprocedure

Na aanmelding volgt een selectieprocedure waarin onderzoeken worden gedaan om te beoordelen of een patiënt baat kan hebben bij een cochleair implantaat. Hierbij worden medische, audiologische, psychologische, communicatieve en psychosociale factoren beoordeeld. De selectieprocedure neemt vaak meerdere weken tot maanden in beslag. De deskundigen uit het CI-team bespreken de onderzoeksgegevens, waarna het CI-team vaak in meerdere stappen beslist of een patiënt in aanmerking komt voor cochleaire implantatie.

Wat gebeurt er tijdens de operatie?

In principe wordt één van beide oren geïmplanteerd. Welk van beide oren wordt geopereerd, hangt af van een aantal factoren die per CI-team en per kandidaat kunnen verschillen.

Vóór de operatie wordt het haar achter het oor gedeeltelijk weggeschoren om de kans op infectie zo klein mogelijk te houden. Het haar groeit na de operatie gewoon weer aan. Tijdens en soms ook na de operatie krijgt u daarnaast antibiotica om de infectiekans te verkleinen.

Tijdens de operatie wordt vervolgens de huid achter het oor opgelicht en een opening in het bot geboord die de oorchirurg via het middenoor toegang moet geven tot het slakkenhuis. In de wand van het slakkenhuis maakt de oorchirurg vervolgens een klein gaatje (diameter ca. 1,5 mm), waardoor de elektrode voorzichtig naar binnen kan worden geschoven. Tenslotte wordt de ontvanger van het CI geplaatst in een tijdens de operatie uitgefreesde groeve in het schedelbot achter het oor. Na het dichthechten van de huid kan het inwendige deel van het CI (de ontvanger en de elektroden) niet meer verschuiven. Bovendien zal tijdens de eerste maanden na de operatie rondom dit deel van het implantaat littekenweefsel ontstaan dat het implantaat nog steviger op zijn plaats houdt.

De operatie vindt plaats onder algehele narcose en duurt een aantal uren. De opname in het ziekenhuis duurt meestal een aantal dagen.

Tijdens de operatie worden enkele tests gedaan om te beoordelen of het implantaat goed functioneert. Tevens wordt dan een eerste indruk verkregen van de mate waarin het gehoor via het implantaat elektrisch gestimuleerd kan worden. Deze informatie kan enkele weken na de operatie gebruikt worden bij de afstelling van het implantaat.

Risico’s van een CI

Bij cochleaire implantatie wordt over het algemeen gebruik gemaakt van technieken die ook bij andere ooroperaties worden toegepast. Cochleaire implantaties worden steeds door een ervaren KNO-arts uitgevoerd. Toch kunnen zich in een enkel geval problemen voordoen. De kans op complicaties is echter klein en de risico’s zijn vergelijkbaar met die van andere ooroperaties.

Soms komen, naast algemene risico’s als infecties, wondgenezingsproblemen e.d., ook tijdelijke evenwichtsproblemen en oorsuizen voor. Deze problemen verdwijnen meestal na verloop van tijd vanzelf.

Na cochleaire implantatie kan een uitval of beschadiging van de aangezichtszenuw voorkomen. De kans hierop is echter uiterst gering. Daarnaast is het mogelijk dat er na cochleaire implantatie een licht verhoogde kans op een hersenvliesontsteking ontstaat. Derhalve worden alle personen die in aanmerking komen voor een CI hiertegen gevaccineerd.

Zoals eerder vermeld gaat na implantatie in een aantal gevallen eventueel ’restgehoor’ van het geopereerde oor verloren. Hierdoor zal gebruik van een conventioneel hoortoestel op dit oor waarschijnlijk geen hoorsensatie meer opleveren.

Soms blijkt dat het slakkenhuis gedeeltelijk verbeend is (bijvoorbeeld als gevolg van hersenvliesontsteking), wat de plaatsing van de elektrodes bemoeilijkt. De KNO-arts kan dan besluiten een speciaal implantaat te plaatsen of de elektroden slechts gedeeltelijk in te brengen. De uiteindelijke hoormogelijkheden met het CI kunnen hierdoor minder gunstig uitvallen dan bij gebruik van het complete aantal elektroden. De verbening van het slakkenhuis kan soms dusdanig ernstig zijn dat de KNO-arts besluit een groeve in de cochlea te boren waar de elektrode van buiten af ingelegd kan worden. Soms moet hij geheel afgezien van implantatie of de patiënt voorstellen het andere oor te implanteren.

Herstelperiode

Na ontslag uit het ziekenhuis komt u of uw kind terug voor poliklinische controle bij de KNO-arts, zodat deze kan beoordelen of het genezingsproces naar wens verloopt. Het hoofdverband wordt vaak na enkele dagen verwijderd en de hechtingen ongeveer na één week. Het spreekt voor zich dat tijdens de gehele herstelperiode enige voorzichtigheid moet worden betracht. Pas na de herstelperiode van enkele weken volgen de activatie en afstelling van het externe gedeelte van het CI, de spraakprocessor. Pas dan zal u of uw kind met het CI geluiden gaan waarnemen en kan de revalidatie starten.

Revalidatie

Na de implantatie is een intensieve revalidatieperiode noodzakelijk waarin u of uw kind begeleid zal worden in het leren horen met een CI. Door o.a. logopedisten wordt zogenaamde ’hoortraining’ gegeven, waarbij bij kinderen de natuurlijke hoorontwikkeling gevolgd en gestimuleerd wordt. Bij volwassenen wordt een ’nieuw’ horen getraind. Vanzelfsprekend kost het veel tijd en doorzettingsvermogen om de implantatie en revalidatie tot een succes te maken. Daarom is het belangrijk dat u over voldoende tijd en motivatie beschikt voor uw revalidatie of om uw geïmplanteerd kind zowel thuis als tijdens de therapie te begeleiden.

 

Bij revalidatie van volwassenen met een CI adviseren de CI-teams vaak om iemand uit uw omgeving te zoeken die bereid is uw oefenpartner te zijn tijdens de revalidatie. Tijdens de hoortraining bij het CI-team laat de hoortherapeut zien welke oefeningen gedaan kunnen worden, waarna uw oefenpartner hiermee in de thuissituatie met u aan de slag kan. Tijdens de hoortraining van kinderen met een CI laat de logopedist u zien hoe u de hoorontwikkeling en gesproken taalontwikkeling van uw kind op een speelse manier extra kunt stimuleren. Vervolgens kunt u met de gegeven adviezen ook zelf aan de slag.

Hoe klinkt een cochleair implantaat?

Een cochleair implantaat maakt het geluid niet harder, maar laat patiënten (heel) anders horen. Hier kunt u klikken om te horen hoe een cochleair implantaat klinkt.

Tot slot

Een CI is geen "superhoortoestel". Na een succesvolle implantatie blijven CI-gebruikers slechthorend. Dit wil zeggen dat u of uw kind moeite zal blijven houden met het onderscheiden van geluiden en het verstaan van wat er gezegd wordt. Tevens is luisteren naar muziek voor velen een teleurstelling.

Daarnaast valt op dat er grote verschillen zijn in de hoormogelijkheden van verschillende CI-gebruikers. Mensen die een CI gebruiken blijken over het algemeen echter meer hoormogelijkheden te hebben dan met de hoortoestellen die voor implantatie werden gedragen.

In tegenstelling tot wat men gewend is met hoortoestellen, dient men bij het gebruik van een CI rekening te houden met een langdurige revalidatie voordat het uiteindelijke resultaat bereikt wordt.

Bij kinderen is het belangrijk dat men er zich van bewust is, dat doofheid en ernstige slechthorendheid de spraakontwikkeling en de ontwikkeling van gesproken taal nadelig beïnvloeden. Door het gehoorverlies ontstaat een achterstand in de ontwikkeling van gesproken taal, die niet na het plaatsen van een CI kan worden ingelopen. Daarom is het belangrijk om het taalaanbod aan te passen aan de auditieve beperking van het kind, bijvoorbeeld door het gebruik van een gebarentaal.

Extra informatie over CI

Meer informatie over cochleaire implantaten is verkrijgbaar bij
de NVVS (Nederlandse Vereniging Voor Slechthorenden),
de FOSS (Nederlandse federatie van ouders van slechthorende kinderen en van kinderen met spraak-taal moeilijkheden) en FODOK (Nederlandse Federatie van Organisaties van Ouders van Dove Kinderen).